De woordelijke tekstWat cursief staat spreek je niet uit; dat is voor jou. De regeleindes zijn ademtekens — lees ze als pauzes.
Wacht tot ze rustig zit en gelijkmatig ademt. Begin pas dan.
Strek allebei je armen voor je uit, op schouderhoogte. De handpalmen naar elkaar toe, ongeveer een handbreedte uit elkaar. De wijsvingers gestrekt, de andere vingers losjes in elkaar.
Wacht tot de houding echt staat. Corrigeer kort en vriendelijk, zonder uitleg.
Goed. Precies zo. En kijk nu naar de ruimte tussen je vingertoppen. Niet naar de vingers — naar de ruimte ertussen.
Vanaf hier langzamer worden. Eén zin per ademhaling.
En terwijl je daarheen kijkt, valt het je misschien op dat de lucht daar een beetje dichter wordt. Alsof daar iets is. Iets dat trekt.
Stel je voor dat er in elke vingertop een kleine magneet zit. Twee magneten die elkaar aantrekken. En hoe langer je kijkt, hoe sterker de trek wordt.
Je hoeft niets te doen. Je hoeft de vingers niet te bewegen. Ze bewegen vanzelf, stukje bij beetje naar elkaar toe. Trekken. Dichterbij. Dichterbij.
Herhaal „dichterbij” in het ritme van de werkelijke beweging — sneller als de vingers sneller gaan. Beschrijf alleen wat je ziet; beweer niets.
En zodra ze elkaar raken, laat de trek los, en mogen je armen helemaal vanzelf zakken.
Wacht de aanraking af, ook als het duurt. Blijven de vingers halverwege staan, dan is dat een uitkomst als elke andere — geen spoor van teleurstelling.
Heel goed. Laat de armen zakken, haal één keer diep adem. Wat voelde je?